Home > ontwikkelingen_mirt > gebiedsgerichte_aanpak > 1.2 MIRT: Gebiedsgerichte aanpak
1.2 MIRT: Gebiedsgerichte aanpak
De mate waarin gebiedsgericht werken effectief is, wordt bepaald door de samenhang in het bestuurlijke besluitvormingsproces (zowel op rijksniveau als tussen rijk en regio), de inzet van een samenhangend spelregelkader voor investeringen, de afstemming van werkwijzen en procedures, de mate waarin financiële middelen afgestemd kunnen worden ingezet en de gehanteerde methodieken voor afweging. De gebiedsgerichte aanpak is dan ook het centrale element in de drie te onderscheiden MIRT-stromen:
- MIRT Projectenboek;
- Bestuurlijke overleggen MIRT;
- MIRT spelregelkader.
MIRT Projectenboek
Jaarlijks presenteert het kabinet op Prinsjesdag het rijksinvesteringsprogramma voor het ruimtelijk fysieke domein. Met het MIRT Projectenboek wordt sinds 2007 voor het eerst in één document een overzicht gegeven van alle ruimtelijke rijksprojecten- en programma’s van de ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Verkeer en Waterstaat (VenW), Economische Zaken (EZ) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Nieuw is dat de rijksprojecten en -programma’s niet alleen individueel worden toegelicht maar dat deze voor een aantal geografische gebieden in samenhang met de relevante regio investeringen worden beschreven.
In de samen met de regio opgestelde gebiedsbeschrijvingen wordt per gebied een beeld geschetst van wat de beleidsopgaven voor rijk én regio zijn (zie hoofdstuk 3). Uitgangspunt hierbij is dat ruimtelijk projecten in samenhang worden bezien met verkeer- en vervoerproblemen, waarbij ook de bredere gebiedsopgave en -doelen worden betrokken. Een verdere stap om te komen tot een gezamenlijk inhoudelijk vertrekpunt voor rijk en regio is het opstellen van een gebiedsagenda. Deze agenda bestaat in ieder geval uit het integreren van de samenwerkings- en ontwikkelagenda´s. De agenda’s gaan over wat rijk en regio samen doen, maar ook over de belangrijkste regionale en rijksinvesteringen die van belang zijn voor de regio. Het is de bedoeling dat deze agenda’s op termijn mede de basis voor het MIRT projectenboek gaan vormen.
Bestuurlijke overleggen MIRT
Het MIRT wordt in het najaar besproken met de relevante decentrale overheden. Bij deze bestuurlijke overleggen zitten vanuit het rijk in ieder geval de ministers van VenW en VROM en de staatssecretaris van VenW aan tafel. Afhankelijk van de agenda schuiven ook de ministers van EZ en LNV aan. Rijk en regio spreken elkaar ook in het voorjaar over het MIRT. Dan ligt het accent op het bespreken van de voortgang van de eerder gemaakte afspraken en het agenderen van onderwerpen voor de overleggen van het komend najaar, naast het dan vigerende rijksinvesteringsprogramma. De resultaten van de bestuurlijke overleggen MIRT worden per brief aan de Tweede Kamer gemeld en daarna besproken.
De agenda’s en besprekingen van de bestuurlijke overleggen MIRT krijgen een steeds integraler en gebiedsgericht karakter, waardoor de besluitvorming over infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen beter op elkaar wordt afgestemd. De overleggen worden voorbereid door interdepartementale gebiedsteams vanuit VROM, VenW, EZ en LNV in overleg met de regio’s. Een deel van het overleg met de Randstedelijke overheden wordt gezamenlijk gehouden om zo het belang van een gemeenschappelijke Randstadaanpak, aansluitend op de vleugelaanpak, te benadrukken. Voor de overleggen geldt dat de regionale vertegenwoordiging niet alleen bestaat uit bestuurders met de portefeuille verkeer en vervoer, maar ook met de portefeuille ruimtelijke ordening. In overleg met de deelnemende partijen wordt bekeken hoe de overleggen in de toekomst gepositioneerd kunnen worden ten opzichte van andere overleggen in het kader van de lopende (bestuurlijke) besluitvormingsprocessen (mede in het licht van de bestuurlijke drukte).
MIRT spelregelkader
Voor een meer gebiedsgerichte manier van werken (samenhang en prioriteitstelling) moeten ook de spelregels daarvoor geëquipeerd worden. Immers, door een integrale gebiedsaanpak te kiezen wordt ook de samenstelling van de spelers anders; samenwerking tussen publieke, maatschappelijke en private partijen komt nog sterker op gang. Een van de middelen om dit te accommoderen, is een zoveel mogelijk uniforme aanpak én benadering van de problematiek door het rijk (binnen de randvoorwaarden van de verschillende sturingsfilosofieën en rijksrollen binnen het ruimtelijke domein). Procedurele harmonisatie van de spelregelkaders in het ruimtelijk domein zal voor meer duidelijkheid zorgen en daarmee van invloed zijn op het bewerkstelligen van een betere samenhang tussen investeringen van rijk en regio. Met de doorontwikkeling van een MIRT spelregelkader wordt op macroniveau een belangrijke conditie voor het gebiedsgericht werken gecreëerd. In figuur 1.1 is dit speelveld weergegeven.

Het is de bedoeling dat het MIRT-spelregelkader zodanig wordt opgezet dat besluitvorming over aspecten als leefbaarheid, inpassing en ruimtelijke en economische ontwikkeling en infrastructuur gebiedsgericht op een vergelijkbare manier, dan wel afgestemd tot stand komt. Uitgangspunten daarvoor zijn:
- Het MIRT nieuwe stijl heeft betrekking op rijksprojecten en –programma’s in het ruimtelijk fysieke domein.
- De ontwikkeling van het MIRT heeft het karakter van een groeiproces.
- Het startpunt ligt in de afstemming tussen de procedures MIT, SNIP en Nota Ruimte.
- Met de verschillende rollen van de rijksoverheid en de daarmee samenhangende verschillen in sturingsbenadering wordt rekening gehouden.
- Departementen zullen bij een gebiedsgerichte aanpak de inzet van verschillende budgetten (in toenemende mate) op elkaar afstemmen.
- Voor alle nieuw te starten verkenningen (vanaf 2009) in het ruimtelijk fysiek domein, waar een integrale/gebiedsaanpak noodzakelijk dan wel gewenst is, geldt het MIRT spelregelkader.
- Uniforme toepassing ex-ante beoordelingen (methodiek en evaluatiemomenten), waarbij KBA methodiek de voorkeur heeft.
- Bij de inrichting van de besluitvormingsfasen voor het MIRT-spelregelkader zal het kabinetsstandpunt op het advies van de commissie Versnelling Besluitvorming Infrastructurele Projecten (zie tekstbox) worden meegenomen.
- Kernbegrip bij de ontwikkeling van het spelregelkader is de toekomstvastheid - een spelregelkader dat in kan spelen op nieuwe ontwikkelingen.
Eind juni heeft de Tweede Kamer van de ministers van VenW en VROM, mede namens de ministers van EZ, Financiën en LNV, een brief ontvangen met daarin een analyse van de verschillen en overeenkomsten van de betrokken bestaande departementale spelregelkaders en richtinggevende bouwstenen voor ontwikkeling van een MIRT spelregelkader (TK 31200A, nr. 86). Het MIRT-spelregelkader zal conform huidige planning eind 2008 aan de Tweede Kamer gepresenteerd worden.
Andere ontwikkelingen
Naast de aanbevelingen van de commissie Elverding zijn ook de (nog te verschijnen) kabinetsstandpunten op de adviezen van onder andere de commissies Ruding, Lodder, Noordanus en Dekker, Randstad 2040, de MobiliteitsAanpak en het antwoord op de motie Van Heugten (TK 31 200XI nr. 28) van belang voor de drie MIRT stromen. Verder worden er in het kader van de Pilot MIRT verkenning Zuid-Oost Brabantstad ervaringen opgedaan met gebiedsgericht werken.

